Welk Geldtype ben jij?

Wat ben jij voor geldtype ben jij? Doe de test!

 

1. Je krijgt € 50 van je oma. Wat doe je met het geld?

a. Al het geld gaat in mijn spaarpot.

b. Ik koop iets leuks, de rest gaat in mijn spaarpot.

c. Ik koop meteen iets van al het geld.

 

2. Je wilt een nieuw mobieltje. Wat doe je?

a. Ik neem de oude van een vriendje over.

b. Ik kijk wat mijn vriendjes hebben en zoek één met de allernieuwste snufjes.

c. Ik vergelijk de aanbiedingen en kies er de beste uit.

 

3. Wat doe je als je zakgeld krijgt van je ouders?

a. De ene helft in mijn portemonnee en de andere helft in mijn spaarpot.

b. Ik geef al het zakgeld gelijk uit.

c. Alles gaat in mijn spaarpot.

 

4. Doe je wel eens een klusje waar je geld voor krijgt?

a. Dat hoeft niet, omdat ik weinig geld uitgeef en ik spaar.

b. Ik moet wel, omdat mijn geld vaak op is.

c. Soms doe ik een klusje.

 

5. Hoe denk jij over geld?

a. Hoe meer geld ik kan uitgeven, hoe vrolijker ik word.

b. Geld moet gespaard worden.

c. Geld geef ik uit aan de dingen die moeten, de rest spaar ik.

 

6. Je ziet een heel mooie trui in de winkel. Wat doe je?

a. Die koop ik natuurlijk!

b. Ik kijk of ik genoeg geld heb en bedenk of ik de trui nodig heb.

c. Ik heb genoeg truien. Ik geef mijn geld niet uit.

 

7. Over 15 jaar, dan …

a. spaar ik nog steeds. Ik heb dan veel geld gespaard!

b. heb ik een leuke baan en spaar ik wat.

c. koop ik wat ik wil en is mijn geld vaak op.

 

8. Als je 1000 euro zou winnen bij een prijsvraag dan….

a. open ik een spaarrekening met de meeste rente.

b. ga ik al die dure dingen kopen die ik al heel lang wil hebben.

c. ga ik iets kopen dat ik heel graag wil hebben, de rest spaar ik.

 

9. Als jullie voor de Klasse!kas elke maand 10 euro van de school krijgen. Wanneer zou je dan tevreden zijn?

a. Als er alleen geld is uitgegeven voor zaken die we echt nodig hadden.

b. Als aan het eind van elke maand al het geld op is.

c. Als aan het eind van het jaar al het geld er nog is.

 

10. Je hebt op één middag al je spaar- en zakgeld uitgegeven aan allerlei spulletjes die je leuk vindt. Wat vind je daar achteraf van?

a. Ik vind dat geld moet rollen. Ik heb toch allerlei mooie spullen!

b. Achteraf baal ik er eigenlijk van dat ik dat heb gedaan.

c. Ik geef een volgende keer niet alles in één keer uit. Ik heb dan ook nog wat achter de hand voor een volgende keer.

 

 

Kijk nu eerst welke letters bij jouw antwoorden horen.

 

1.

a. S

b. R

c. U

 


6.

a. U

b. R

c. S

2.

a. S

b. U

c. R

7.

a. S

b. R

c. U

3.

a. R

b. U

c. S

8.

a. S

b. U

c. R

4.

a. S

b. U

c. R

9.

a. R

b. U

c. S

5.

a. U

b. S

c. R

10.

a. U

b. S

c. R

 

Welk geldtype ben jij?
Tel alle letters. Welke letter heb je het vaakst?

  1. Het vaakst een S: Je bent een 'Spaarder'
    Het liefst spaar je al je geld. Je geeft nooit zomaar wat uit. Je hebt nooit geld te kort.
  2. Het vaakst een U: Je bent een 'Uitgever'
    Het liefst geef je al je geld uit. Je wilt alles hebben. Vaak is je geld op.
  3. Het vaakst een R: Je bent een 'Rekenaar'
    Je spaart een deel en je geeft een deel uit. Je weet waar je geld blijft, maar je vindt het niet leuk
    om blut te zijn..

 

Bron: http://www.klasse-kas.nl/cms/upload/docs/wat_voor_geldtype_ben_jij.pdf